Bron:New York Times/chinasquare.be

Sommigen zeggen dat China geld uitleent voor infrastructuur en ontwikkeling om arme landen te kunnen onder druk zetten met schulden. Dat is fout.

Dit opiniestuk van Deborah Brautigam is verschenen in de New York Times en werd vertaald door Chinasquare. Brautigam is expert in China-Afrika betrekkingen en professor aan de Johns Hopkins University. Zoals steeds vertegenwoordigen opinies de mening van hun auteur en niet noodzakelijk die van de redactie van Chinasquare.

Sommigen zeggen dat China geld uitleent voor infrastructuur en ontwikkeling om arme landen te kunnen onder druk zetten met schulden. Dat is fout.

Vertegenwoordigers uit 150 landen kwamen vrijdag (dit stuk dateert van 26 april, nvr) bijeen in Beijing voor een groot forum om het Chinese Belt and Road Initiative te vieren. Sinds de formele start in 2013 heeft het BRI – een uitgebreid wereldwijd net van projecten voor infrastructuurontwikkeling dat voor het grootste deel gefinancierd of gesteund wordt door de Chinese regering – zowel een groot enthousiasme als grote angst teweeg gebracht.

Sommigen noemen dit gigantische programma een nieuw Marshall Plan, met als argument dat het de kosten van internationale handel drastisch kan verminderen en de economische transformatie van arme landen ondersteunen.

‘Schuldenval diplomatie’

Anderen beschuldigen Beijing ervan dat het met BRI zijn economische macht gebruikt om stiekem politieke winst te boeken. Je hoort vaak dat de hele inspanning dient als dekmantel voor ‘schuldenval diplomatie’, of om het met de woorden van John R. Bolton, de nationale veiligheidsadviseur van de VS te zeggen, China ‘maakt strategisch gebruik van schuld om landen in Afrika te verplichten aan de wensen en eisen van Beijing te voldoen’. (sommige Amerikaanse Democraten zijn het, op dit punt althans, met hem eens)

Ja, de schuld van de ontwikkelingslanden neemt toe en de leningen die China geeft maken daar – voor het eerst – deel van uit. Maar een aantal academici zoals wij die de Chinese handelswijze in detail bestudeerd hebben, vinden maar karige aanwijzingen voor een patroon waarbij Chinese banken in opdracht van de regering bewust te veel uitlenen of verliesmakende projecten financieren om strategische voordelen voor China te bekomen.

Vervormde informatie van Sri Lanka tot Afrika

Het belangrijkste voorbeeld van deze veronderstelde tactiek is de haven van Hambantota in Sri Lanka: de regering gaf in 2017 de leiding van de haven aan een Chinees bedrijf, nadat ze er niet in geslaagd was de afbetalingen voor de lening aan China te doen. Maar dat geval is speciaal, en wordt in hoge mate verkeerd begrepen.
China publiceert geen details over zijn buitenlandse leningen, maat het China-Africa Research Initiative van de Johns Hopkins University (dat ik leid) heeft informatie verzameld over meer dan duizend Chinese leningen aan Afrika tussen 2000 en 2017. Het gaat in totaal om meer dan 143 miljard dollar. Het Global Development Policy Center van Boston University heeft sinds 2005 voor meer dan 140 miljard dollar Chinese leningen aan Latijns-Amerika en de Caraïben geïdentificeerd en gevolgd.

Uit de bevindingen van beide instituten blijkt dat het risico van BRI vaak overschat of verkeerd voorgesteld wordt.

Neem nu Afrika. Het International Monetary Fund schat dat per eind januari 17 arme Afrikaanse landen een te hoge schuldenlast hadden of het risico daarop liepen, of problemen hadden om de interest op de openbare schuld te betalen. Bij het China Africa Research Initiative hebben we schuldprofielen opgemaakt van deze landen, op basis van onze gegevens over Chinese leningen en van statistieken van de Wereldbank en het IMF. We hebben ontdekt dat een groep van wereldwijde banken en houders van staatsbons de belangrijkste betrokkenen waren: in Mozambique ging het om Credit Suisse; in Tsjaad om de Anglo-Zwitserse mijnreus Glencore. In sommige van de 17 landen die het IMF aanduidde als kwetsbaar, waaronder Kameroen en Ethiopië, was China de grootste schuldeiser, maar het grootste deel van de schulden zat toch nog bij een groep niet-Chinezen. Alleen in Djibouti, de Republiek Congo en Zambia maakten Chinese leningen meer dan de helft van de openbare schuld van het land uit.

In een studie van 2019 over China in Latijns-Amerika en de Caraïben, besloot het Global Development Policy Center dat – behalve de ‘belangrijke mogelijke uitzondering Venezuela’ – het niet alleen de financiering door China was die kredietnemers er toe aanzette meer te lenen dan de door het IMF vooropgestelde drempel van duurzame schuldenlast.
Met andere woorden, in het groot deel van Afrika en Latijns-Amerika zijn Chinese leningen belangrijk, maar bang zijn dat de Chinese regering bewust prooien zoekt bij landen die in nood verkeren is ongefundeerd.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here